2 mei

WBSO-evaluatie: werk aan de winkel rondom WBSO-programmatuur

Onlangs publiceerde het ministerie van Economische Zaken en Klimaat het rapport Evaluatie WBSO 2011-2017. In deze evaluatie is onderzocht in hoeverre de WBSO in de periode 2011-2017 (en de RDA in 2012 – 2015) op een doeltreffende en doelmatige wijze heeft bijgedragen aan het stimuleren van S&O-werkzaamheden, innovatie, bedrijfsprestaties en aan het vestigingsklimaat in Nederland. Deze evaluatie wordt ongeveer elke zes jaar uitgevoerd (de vorige evaluatie betrof de periode 2006 – 2010) door een extern onderzoeksbureau.

Het evaluatierapport is aangeboden aan de Tweede Kamer samen met een reactie van staatssecretaris Mona Keijzer hierop. In deze reactie gaat zij niet alleen in op de aanbevelingen van de WBSO-evaluatie, maar ook op de studie ‘Digitalisering R&D’ waar wij eerder over schreven. Wij hebben voor u de meest interessante bevindingen uit de evaluatie en de reactie van de staatssecretaris op een rijtje gezet.

Conclusie WBSO-evaluatie

Onderzoeksbureau Dialogic beoordeelt de WBSO in algemene zin als een kostenefficiënte regeling, die door een groot deel van de gebruikers wordt gewaardeerd en een aantoonbaar positief effect heeft op S&O-activiteiten in Nederland. De WBSO stimuleert het MKB daarbij relatief meer dan het grootbedrijf. Het aantal WBSO-gebruikers groeide in de periode 2011 – 2015 flink, waarna een kleine daling is ingezet.

Oorzaken hiervoor lijken onder andere te liggen in de strengere definitie van programmatuur die kwalificeert voor de WBSO en in het afschaffen van de projecttypen analyse technische haalbaarheid en procesgericht technisch onderzoek. Specifieke segmenten van WBSO-gebruikers, zoals bijvoorbeeld de metaalindustrie, geven daarbij aan deze afgeschafte projecttypen te missen en behoefte te hebben aan  een herintroductie. Leap herkent zich hierin en deelt deze mening, die ook door brancheorganisaties als FME en Metaalunie bepleit wordt.

ICT: een vreemde eend in de bijt?

In de WBSO-evaluatie komt naar voren dat 85% van de WBSO-gebruikers vindt dat de WBSO goed aansluit bij de wijze waarop zij S&O uitvoeren. Mooie cijfers, echter zien we een ander beeld als we inzoomen op specifieke sectoren. Opvallend is daarbij met name de sector ICT, waar liefst 30% van de bedrijven aangeeft dat de WBSO niet goed aansluit bij hun S&O-werkzaamheden.

Ergens is dit te verwachten, nu deze sector sterk groeit en doorlopend in ontwikkeling is en wet- en regelgeving daar traditioneel traag op reageert. De ICT-sector is echter ook de grootste aanvrager van WBSO, zowel in gebruikers, als in uren (26% van het totaal). Als 30% van deze groep aangeeft dat de WBSO niet goed aansluit op hun S&O-werkzaamheden, lijkt het noodzakelijk actie te ondernemen.

De meest genoemde kritiekpunten van de sector ICT op de WBSO richten zich op twee aspecten: de inhoud en de opzet van de WBSO. Hieronder zullen wij beiden kort bespreken.

Inhoud

In 2016 is de definitie van ‘programmatuur’ voor de WBSO aangescherpt (of zoals RVO zelf zegt: ‘verduidelijkt’). ICT-werkzaamheden kwalificeren alleen als S&O als deze bestaan uit het daadwerkelijk oplossen van (programmeer)technische knelpunten en het aantonen van een nieuw informatietechnologisch werkingsprincipe.

Kritiekpunt vanuit de sector hierop is dat daarbij te sterk wordt gekeken naar het ‘kloppen’ van softwarecode in een (formele) programmeertaal. Veel partijen geven aan dat dit feitelijke programmeren moet worden gezien als het sluitstuk van oplossen van een S&O-vraagstuk in de ICT, niet als de kern daarvan. Softwarearchitectuur, algoritmiek en softwareontwikkeling zijn sterk met elkaar verbonden, waardoor het denkwerk in het voortraject feitelijk veel belangrijker is dan het uiteindelijk vastleggen in code. Daarbij komt dat softwareontwikkeling in toenemende mate gebruik maakt van (herbruikbare) softwareblokken, in open processen en in korte snelle iteraties.

De sector pleit daarom voor een herziening en verbreding van de huidige definitie van ICT-WBSO-werkzaamheden, een standpunt waar Leap zich volmondig bij aansluit. RVO houdt vooralsnog echter vast aan de stelling dat juist tijdens het programmeren de technische knelpunten worden opgelost.

Opzet en systematiek

Tweede voornaamste kritiekpunt ligt in de opzet van de WBSO. De WBSO is ooit opgezet als generiek instrument, vanuit een visie van een lineair, gepland en gesloten innovatieproces. Dit sluit echter steeds minder aan op S&O in de ICT-sector.

Scrum en agile methoden zijn daar steeds meer de norm, waarbij in multidisciplinaire teams, in korte cycli, iteratief en in meer open samenwerkingen met derden naar oplossingen wordt toegewerkt. Op voorhand is hierbij niet fatsoenlijk in te schatten welke knelpunten tegengekomen gaan worden, noch is uitgetekend wat de precieze uitkomst van dit proces zal zijn. Het vooraf (ruim een half jaar van tevoren) aangeven van technische knelpunten en oplossingsrichtingen, zoals voor een WBSO-aanvraag vereist, is hiermee vrijwel niet te verenigen. Leap herkent zich ook in deze kritiekpunten.

Reactie staatssecretaris Mona Keijzer

Dialogic doet in het rapport van de WBSO-evaluatie een aantal aanbevelingen ter verbetering van de WBSO. In de aanbiedingsbrief van het rapport van de evaluatie aan de Tweede Kamer reageert staatssecretaris Mona Keijzer hierop. De belangrijkste punten van haar reactie zijn:

  • Het Ministerie van EZK ziet in de evaluatie geen reden voor de herintroductie van het procesgericht technisch onderzoek (TO) in aanmerking voor de WBSO. De staatssecretaris geeft als problemen met het TO aan dat dit lastig te hanteren was, met name omdat het verschil tussen wezenlijke aanpassingen in het productieproces (wel WBSO) en regulier onderzoek naar de aanpassing van productieprocessen (niet WBSO) boven tafel te krijgen. Daarmee ondersteunde deze regeling (vaak) niet de kern van R&D.
  • De staatssecretaris heeft de geluiden van brancheorganisaties als de Metaalunie en FME gehoord, dat met name kleine bedrijven het moeilijk vinden om bestaande procesinnovaties (zoals robots) te implementeren en dat er daarom behoefte is aan de afgeschafte projecttypen analyse technische haalbaarheid en procesgericht technisch onderzoek. Zij is echter van mening dat alleen technisch nieuwe processen met de WBSO ondersteund moeten worden en andere innovatie-instrumenten en initiatieven (zoals de MIT-regeling) gebruikt kunnen worden voor het benutten van externe kennis. Zij erkent echter dat deze instrumenten en initiatieven nu nog moeilijk worden gevonden door de beoogde gebruikers en zal een nadere toelichting publiceren op haar zienswijze en de beschikbare instrumenten.
  • De staatssecretaris heeft geen plannen voor (experimenten met) aanpassingen aan de opzet van de WBSO, zoals het achteraf aanvragen van WBSO of het toestaan van WBSO voor uitbesteed werk. Deze experimenten zijn bepleit door het CPB om de WBSO beter geschikt te maken voor de steeds verder gaande digitalisering van R&D. Wel erkent zij dat de WBSO-procedure beter zou moeten aansluiten op snelle en dynamische innovatieprocessen. Zij zal hiertoe daarom een onderzoek instellen naar de mogelijkheden de procedure te versnellen en te vereenvoudigen.
  • De staatssecretaris blijft vooralsnog bij de huidige definitie van WBSO-programmatuur. Het uitgangspunt moet in haar ogen blijven dat de WBSO bedoeld is voor de ontwikkeling van technisch nieuwe programmatuur en dat bedrijven zelf programmeertechnische knelpunten moeten oplossen. Gelet op de kritiek vanuit de ICT-sector zal zij wel enkele onafhankelijke experts vragen om deze definitie van WBSO-programmatuur te beoordelen en waar nodig aanbevelingen te doen. Op Prinsjesdag volgt nieuws over dit onderzoek.
  • Met Prinsjesdag zal ook informatie volgen over de budgetsystematiek van de WBSO voor de toekomst, de parameters voor 2020 en eventuele andere aanpassingen.

Conclusie

Concluderend is de WBSO in algemene zin een bruikbaar, functioneel en gewaardeerd instrument om S&O-activiteiten in Nederland te bevorderen, waarvan vooral het MKB profiteert.

Toch zijn er bepaalde sectoren, met name de ICT, waar werk aan de winkel is. In deze sectoren sluit de WBSO niet goed meer aan op de praktijk van de dag. Aanpassing en verbreding van de regeling is (mede vanuit de sector) noodzakelijk om softwareontwikkeling te blijven stimuleren. Dit is te meer van belang, omdat de sector ICT technologiegebied met het grootste aantal toegekende S&O-uren is en dit aandeel naar verwachting in de toekomst alleen maar verder zal toenemen.

Vooralsnog lijkt de staatssecretaris hier echter niet open voor te staan. Hoewel zij wel toezeggingen doet de definities van WBSO-programmatuur te laten onderzoeken, geeft zij daarbij direct aan dat de ontwikkeling van technisch nieuwe programmatuur het uitgangspunt zal blijven.

Leap betreurt dit: hiermee zal de focus van de WBSO blijven liggen op het ‘kloppen van code’ en blijft de daaraan voorafgaande en simultane ontwikkeling van architectuur en algoritmiek buiten beschouwing. Deze ontwikkeling is echter tenminste van even groot belang voor het R&D-proces in de ICT als het uiteindelijke coderen, hetgeen ook juist de kern van de kritiek op de definitie van WBSO-programmatuur is.

We zullen Prinsjesdag moeten afwachten om hier uitsluitsel over te krijgen, maar er is vooralsnog dus weinig reden om aan te nemen dat er op korte termijn verbetering in de situatie rondom WBSO-programmatuur komt. Leap houdt u uiteraard op de hoogte, zodra er over dit onderwerp nieuws is.

 

Wilt u meer weten op het gebied van de WBSO-evaluatie? Neem dan vrijblijvend contact met onze WBSO-specialisten op.

Neem contact met ons op

Of bel direct 024 711 33 49.

Vorige artikel
29 apr

H2020 SME Instrument: nog maar twee mogelijkheden voor Haalbaarheidsstudies

Volgende artikel
22 mei

Europees Parlement op werkbezoek bij Leap in Twente

Bel mij terug

Ik wil weten hoe ik van de expertise van Leap kan profiteren.

Verplichte velden